Goede startpositie voor aandelenmarkten
Bij aanvang nieuw decennium
Over de voorbije tien jaar was men als belegger aanzienlijk beter af met staatsobligaties dan met aandelen. Dat is niet alleen een pijnlijke vaststelling voor de aanhangers van de aandelenmarkt. Het knaagt ook aan het geloof in een rationele orde op de financiële markten, waarbij risico en liquiditeit behoorlijk vergoed worden. Over een periode van vijftien jaar liggen de jaarlijkse opbrengsten van aandelen en obligaties ongeveer op een gelijkaardig niveau. Dat klinkt al wat beter maar het betekent nog altijd dat aandelen niet voldoende opbrachten vermits de aandelenbelegger geen vergoeding krijgt voor het risico dat hij gelopen heeft. Men moet al 20 jaar of langer nemen vooraleer aandelen een risicopremie van betekenis opleveren. Wat is er aan de hand? Moeten de handboeken economie herschreven worden? Of hebben we een uitzonderlijke samenloop van omstandigheden gehad die de natuurlijke hiërarchie van de opbrengsten alleen maar tijdelijk verstoord heeft?
Met statistieken kan men, zoals bekend, veel bewijzen en dat is hier niet anders. De voorbije tien jaar kunnen we niet bepaald als een gewoon decennium binnen de jongste vijftig jaar beschouwen.
Dat de beurs binnen deze periode twee keer spectaculair onderuit ging met ruim 50 %, ligt niet echt binnen het normale spectrum van de verwachtingen.
Dat er heel wat twijfel blijft bestaan over de vooruitzichten voor het komende decennium, ligt ook voor de hand. Aan argumenten om te bewijzen dat er nog tal van hinderpalen en moeilijkheden zullen opduiken, is er trouwens geen gebrek.
De financiële crisis zindert nog na, de werkloosheid is fors opgelopen, de begrotingstekorten swingen de pan uit en dan moeten de stijgende kosten van de vergrijzing nog komen.
Kortom, een belegger moet wel veel vertrouwen hebben in de inventiviteit en veerkracht van de mensheid, om in deze voorwaarden de gepaste omgeving te zien om aandelen weer te gaan overwegen.
Historisch zijn er nochtans talrijke bewijzen dat dit precies is wat men in deze omstandigheden hoort te doen.
De beurs is op haar gevaarlijkst als er op het eerste gezicht geen vuiltje aan de lucht is. Maar ze is dikwijls genereus voor diegenen die in volle paniek koel blijven en in het stof en het puin meteen ook de voedingsbodem voor nieuwe koersstijgingen zien.
Een beurshausse is hoe dan ook altijd een klim tegen een muur van onzekerheden. Breed scepticisme en pessimisme zijn dus veeleer positieve dan negatieve signalen.
Garanties zijn er natuurlijk niet. Het is niet omdat men net een belangrijke koersval achter de rug heeft, dat er ook een krachtige herneming moet komen.
Evenmin staat het vast dat een periode van stevige koersen met absolute zekerheid op een zware correctie zal uitlopen. Zo eenvoudig of mechanisch werkt het meestal niet.
De markt mag dan wel bokkensprongen laten zien die op het eerste gezicht volkomen irrationeel zijn; op de achtergrond is er altijd wel degelijk een raakvlak met de realiteit.
Ook al blijkt dat pas uit de analyse achteraf.
Correcte vergoeding voor risico
Vanuit die optiek is het belangrijk om de drijvende krachten achter de markante bewegingen van de jongste tien jaar te analyseren.
Qua karakter en gevolgen is er namelijk een bijzonder groot verschil tussen de twee zware beurscrisissen van de voorbije tien jaar.
De crash van 2000/2001 had uiteindelijk vrij doorzichtige oorzaken.
De waarderingen en impliciete verwachtingen over de ondernemingsresultaten waren zodanig opgelopen dat de minste windstoot wel onevenredig grote gevolgen moest hebben.
Na de correctie keerde men dan ook terug tot de orde van de dag, zij het met één verschil. Naar het einde van de jaren ’90 toe zagen we theorieën opduiken die de risicopremie naar de prullenbak van de geschiedenis wilden verwijzen.
Lang heeft dat concept het niet uitgehouden. Na 2000/2001 was er geen mens meer die nog twijfelde aan de bestaansreden van een risicopremie.
Liquiditeit heeft zijn prijs
De recente economische en financiële crisis was van een heel andere aard. Conjunctureel liepen de dingen feitelijk uitstekend.
Het was meer de kredietschaarste die de conjunctuur tegen een muur deed botsen dan een conjunctuurinzinking die een financiële crisis veroorzaakte.
Ook wat waardering betreft, kon men bezwaarlijk van extremen spreken.
Dat de markt in die omstandigheden toch nog kon halveren, heeft dan ook een aantal andere redenen, die onder meer verband houden met liquiditeit.
Een kenmerk van de kredietcrisis was namelijk dat sommige segmenten van de financiële markten bijna van de ene dag op de andere vastliepen.
Dat was niet het geval voor de beurs of voor de meeste markten van overheidspapier.
De plotse liquiditeitsvoorkeur, samen met onverdunde paniek en extreme risico-aversie, zorgde daarom voor grotere koersdalingen dan bij een “normale” recessie.
Dat bij de normalisering van de markt een fors herstel op de beurs te zien was, is dan ook niet meer dan normaal. Er bleef trouwens ook hier één duidelijk verschil bestaan.
Waar krediet en liquiditeit voordien overvloedig aanwezig waren en liquiditeit schijnbaar geen premie meer verdiende, is dat sedertdien zeker geen punt van discussie meer.
Herstel van hiërarchie
De terugkeer van forse liquiditeits- en risicopremies in de waardering van ondernemingen op de markt heeft logischerwijze een negatieve invloed op de prijzen.
Dat hebben we de voorbije tien jaar mogen ondervinden.
Daarnaast betekent het ook dat ze nu verrekend zijn in de verwachte toekomstige opbrengsten.
Anders gesteld: de lange periode waarin de logische hiërarchie in de opbrengsten van verschillende beleggingsproducten blijkbaar geweld werd aangedaan, betekent niet dat men het geloof in een rationele orde op de financiële markten moet verliezen.
Het betekent veeleer dat de kans dat die orde zich met dubbele kracht zal manifesteren in de komende periode, aanzienlijk groter geworden is.
Een correcte vergoeding voor het risico en voor de liquiditeit kan de aandelenbelegger het komende decennium dan ook een mooie meeropbrengst bieden.
(Deze informatie wordt gehaald uit met zorg geselecteerde bronnen. Ze is geen aanbeveling in de zin van het KB van 5 maart 2006 betreffende de juiste voorstelling van beleggingsaanbevelingen en de bekendmaking van belangenconflicten. Gezien de specifieke aard van de materie, kan KBC Asset Management geen verantwoordelijkheid dragen over het al dan niet realiseren van de verwachtingen).
(De rubriek “Beleggingsinfo” komt tot stand in samenwerking met KBC Asset Management).




Meld je aan om te reageren